De rechtsvoorganger van de verhuurder heeft de huur met betrekking tot een opslagruimte (230a bedrijfsruimte) opgezegd en de ontruiming aangezegd tegen 1 januari 2017. De huurder heeft zich niet verzet tegen deze opzegging. De huurder heeft zich evenmin op ontruimingsbescherming beroepen. De huurovereenkomst is dan ook per die datum geëindigd en huurder had het pand moeten ontruimen. Dat heeft hij niet gedaan. Het bepaalde in artikel 9 sub g van de huurovereenkomst brengt vervolgens met zich dat de zaken van huurder die zich nog in het pand bevonden, eigendom zijn geworden van de verhuurder. Reeds hierdoor kunnen de vorderingen van de huurder ex. art. 843a Rv, onder meer: het verstrekken van bescheiden van de ontruimde goederen en gelegenheid geven de in bewaring gestelde goederen te bezichtigen en/of inspecteren, niet worden toegewezen. Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.

De feiten

De huurder en de (rechtsvoorganger van de) verhuurder hebben op 19 juni 2014 een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan de huurder een gedeelte van een hal (opslagruimte) huurt van de verhuurder. In artikel 9 sub g van de huurovereenkomst is de volgende bepaling opgenomen (Partij B is de huurder en Partij A is de verhuurder):

“Alle zaken die Partij B. aan Partij A. na beëindiging van de overeenkomst in de ruimte achterlaat, worden geacht door haar aan Partij A. te zijn afgestaan. Partij A. zal over deze zaken als haar eigendom beschikken, zonder daarvoor enige vergoeding aan Partij B. te moeten geven, of aan haar daaromtrent enige verantwoording schuldig te zijn, onverminderd het recht van Partij A. om deze zaken op kosten van gebruiker te verwijderen.”

Bij deurwaardersexploot van 30 november 2016 heeft de rechtsvoorganger van de verhuurder de huurovereenkomst met de huurder opgezegd en is de huurder de ontruiming van het gehuurde aangezegd tegen 1 januari 2017. De verhuurder is op 12 april 2017 eigenaar geworden van het pand waar het gehuurde onderdeel van uitmaakt. Bij verstekvonnis van 25 januari 2018 zijn krakers van het pand waar het gehuurde onderdeel van uitmaakt, veroordeeld het pand te verlaten en te ontruimen. De deurwaarder heeft het pand op 4 februari 2018 ontruimd en de sloten veranderd. Op dat moment waren er geen krakers aanwezig. De spullen die op dat moment in het pand waren zijn niet door de deurwaarder verwijderd.

De huurder heeft zijn spullen die nog in het gehuurde bevonden niet opgehaald, ondanks dat de verhuurder de huurder daartoe wel in de gelegenheid heeft gesteld. De verhuurder heeft de spullen op een gegeven moment afgevoerd.

Juridisch kader

Kort geding

De huurder heeft in kort geding gevorderd dat de verhuurder op grond van art. 843a Rv zou worden bevolen alle bescheiden aan huurder te verstrekken betreffende de in 2018 ontruimde goederen, waaronder het ontruimingsvonnis en het proces-verbaal met rapportage van de aangetroffen goederen. Daarnaast vorderde de huurder dat de verhuurder wordt bevolen de huurder in de gelegenheid te stellen de in bewaring gestelde goederen te bezichtigen en/of inspecteren, op straffe van een dwangsom. De vorderingen van de huurder zijn door de voorzieningenrechter afgewezen. De huurder is vervolgens in hoger beroep gegaan.

Hoger beroep

Het gerechtshof geeft aan dat de rechtsvoorganger van de verhuurder de huur heeft opgezegd en de ontruiming van het gehuurde heeft aangezegd tegen 1 januari 2017. De huurder heeft zich niet verzet tegen de opzegging en zich ook niet beroepen op ontruimingsbescherming. De huurovereenkomst is dan ook per 1 januari 2017 geëindigd en de huurder had het gehuurde moeten ontruimen. Dit heeft de huurder niet gedaan. Volgens het gerechtshof brengt het bepaalde in artikel 9 sub g van de huurovereenkomst met zich dat de zaken van huurder die zich nog in het pand bevonden, eigendom zijn geworden van de verhuurder. Het gerechtshof overweegt dat reeds op grond hiervan de vorderingen van de huurder niet slagen.

Daarnaast neemt het gerechtshof – net zoals de voorzieningenrechter – tot uitgangspunt dat de huurder de opzeggingsbrief die per deurwaardersexploot van 30 november 2016 is betekend, in persoon heeft ontvangen. Ook heeft de verhuurder de huurder meermaals in de gelegenheid gesteld zijn spullen op te halen. Dat de huurder dat niet heeft gedaan moet volgens het gerechtshof voor zijn rekening en risico blijven. Het hoger beroep van de huurder slaagt niet en het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.

Gerechtshof Amsterdam 9 januari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:39

Dit bericht is geschreven door Irwin Dankoor voor het huurrecht tijdschrift ‘Opmaat huurrecht +’ van Sdu en daar eerder gepubliceerd op 10 maart 2024.