De gemeente Amsterdam en de vereniging De Verademing dienen gezamenlijk een verzoekschrift tot goedkeuring afwijkend beding in (art. 7:291 BW). Verzoeksters worden niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek, omdat de huurovereenkomst gekwalificeerd moet worden als huur van een 230a-bedrijfsruimte. Het gaat hier om horeca en winkelruimte die slechts ondergeschikt en ondersteund zijn aan het hoofddoel van de huurovereenkomst, namelijk gebruik van het gehuurde voor culturele, creatieve en maatschappelijke activiteiten.

De feiten

De gemeente Amsterdam sluit op 11 februari 2022 een huurovereenkomst met de vereniging De Verademing, die ziet op een terrein met opstallen. Volgens de huurovereenkomst is het gehuurde uitsluitend bestemd om te worden gebruikt voor een cultureel maatschappelijke bestemming, met daaraan ondergeschikte en ondersteunende horeca en winkelruimte. De huurovereenkomst is per 1 juni 2022 uitgebreid met een aangrenzend perceel met opstallen ter grootte van 12.083 m2. De gemeente en De Verademing wenden zich samen tot de kantonrechter met het (subsidiaire) verzoek goedkeuring te verlenen voor een afwijkend beding ex. art. 7:291 BW. Primair verzoeken ze de kantonrechter echter verzoeksters niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek omdat er volgens de gemeente en De Verademing geen sprake is van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW.

Juridisch kader

Oordeel kantonrechter

De gemeente en De Verademing lichten aan de kantonrechter toe dat zij bij het aangaan van de overeenkomst geen 290-bedrijfsruimte voor ogen hadden. Volgens de kantonrechter staat daarnaast vast dat het gehuurde zowel qua oppervlakte als qua bestemming in hoofdzaak wordt gebruikt voor culturele, creatieve en maatschappelijke activiteiten, ten behoeve van de buurt en voor andere bezoekers. Dit vormt ook feitelijk het hoofddoel van de huurovereenkomst. De aanwezige horeca en winkel zijn slechts kleinschalig, ondergeschikt en ondersteunend.

Vanwege de ligging van de aanwezige horeca en de winkel, ligt het volgens de kantonrechter verder niet voor de hand dat de huurovereenkomst gesplitst kan worden. Dat betekent dat de gehele huurovereenkomst aangemerkt wordt als huur en verhuur van 230a-ruimte.

De verzoekers worden dan ook, conform hun primaire verzoek, niet-ontvankelijk verklaard omdat het gehuurde niet kwalificeert als 290-bedrijfsruimte. De kantonrechter gaat daarom ook niet in op het subsidiaire verzoek.

Rechtbank Amsterdam 19 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2340

Dit bericht is geschreven door mr. I.J.M. Dankoor, advocaat bij Dankoor Advocatuur te Arnhem.

Dit bericht is geschreven door Irwin Dankoor voor het huurrecht tijdschrift ‘Opmaat huurrecht +’ van Sdu en daar eerder gepubliceerd op 24 mei 2024.