Moeder huurde sinds 25 november 2009 een woning te Zwijndrecht van Woonkracht10 (gedaagde). De zoon van de moeder (eiser) woont sinds 23 juli 2010 ook in de woning en staat daar sindsdien ook ingeschreven. De moeder is op 22 december 2020 overleden. De zoon heeft Woonkracht10 per brief van 5 januari 2020 verzocht de tenaamstelling van de huurovereenkomst te wijzigen. Woonkracht10 heeft dit verzoek afgewezen.

De feiten

De zoon vordert, uitvoerbaar bij voorraad, dat wordt bepaald dat hij vanaf 22 december 2020 de huurovereenkomst mag voortzetten. Woonkracht10 betwist de vordering en vordert in reconventie ontruiming van de woning.

Juridisch kader

Onderbouwing vordering

De zoon legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij voldoet aan het gestelde in art. 7:268 leden 2 en 3 BW. Hij heeft zijn hoofdverblijf in de woning, hij voerde een gezamenlijke huishouding met zijn moeder en heeft voldoende inkomsten om de huur te voldoen en er is geen huisvestingsvergunning nodig voor de woning.

Verweer

Woonkracht10 betwist dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Oordeel kantonrechter

Duurzame gemeenschappelijke huishouding?

De rechter oordeelt dat uitgangspunt is in de rechtspraak dat slechts onder bijzondere omstandigheden een samenleven van een kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind wordt aangemerkt als een blijvende samenwoning in een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in art. 7:268 lid 2 BW (arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93). Het is aan de zoon om feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met zijn moeder.

De rechter oordeelt dat de zoon hieromtrent onvoldoende stelt. De zoon heeft wat betreft de intentie bij de samenwoning alleen aangevoerd dat het samenwonen erin is geslopen. Over de intentie van zijn moeder bij de samenwoning is niets gesteld of gebleken. Ook is onvoldoende gebleken dat de kosten van de huishouding gemeenschappelijk werden gedragen. De zoon en moeder hadden aparte bankrekeningen en de moeder betaalde van haar rekening de huur. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende is gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat de zoon en zijn moeder gezamenlijk voorzagen in de kosten van de huisvesting en/of levensonderhoud.

Ook ontbreken volgens de kantonrechter aanwijzingen voor enige wederkerigheid in de relatie tussen moeder en zoon, afgezien van gezamenlijk eten en televisie kijken als de zoon thuis was. Onvoldoende duidelijk is geworden hoe de woning feitelijk werd gebruikt.

De kantonrechter wijst de vordering van de zoon daarom af. Dit betekent dat de zoon zonder recht of titel in de woning verblijft. De reconventionele vordering tot ontruiming wijst de kantonrechter dan ook toe. De ontruimingstermijn wordt gesteld op één maand na de datum van betekening van het vonnis.

Overeenkomstig het verzoek van de zoon wordt het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het wettelijk uitgangspunt van art. 7:268 lid 2 BW houdt volgens de kantonrechter namelijk in dat de medebewoner de huur voortzet totdat onherroepelijk is beslist op zijn tijdige vordering tot voortzetting van de huur. De kantonrechter ziet geen grond daarover anders te oordelen.

De zoon wordt tevens in de proceskosten veroordeeld.

Rechtbank Rotterdam 28 april 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:3256

Dit bericht is geschreven door Irwin Dankoor voor het huurrecht tijdschrift ‘Opmaat huurrecht +’ van Sdu en daar eerder gepubliceerd op 12 mei 2022.